/Psychische klachten
Psychische klachten 2017-08-27T09:52:45+00:00

Op deze pagina vindt u een beschrijving van de meest voorkomende klachten.

Depresie

Wat is een depressie

Een depressie is meer dan je alleen maar depressief voelen. Het is een ziektebeeld met een verstoord functioneren op vele niveaus.

  1. Het stemmings niveau: daarin kun je je meerdere dagen tot weken somber voelen, huilerig zijn of zeer prikkelbaar, gespannen of opvliegend zijn.
  2. Het lichamelijke niveau: slaapproblemen, eetlust problemen waardoor men kan afvallen of juist aankomen, snel moe/futloos, darmklachten.
  3. Het cognitieve niveau: moeite met concentreren, negatieve gedachten over zichzelf of de toekomst, schuldgevoelens, gering zelfvertrouwen, negatief zelfbeeld, zelfmoordgedachten.
  4. Het motivatie niveau: verlies in interesse, ‘s morgens moeilijk op gang komen, weinig belangstelling voor sociale contacten, niet reageren op complimenten, minder zin in seks.

De verstoring gaat meestal zo ver dat men niet meer kan werken of de dagelijkse activiteiten kan uitvoeren.

Als de depressie optreedt na de bevalling spreekt men van een postnatale depressie.

Een depressie kan door de volgende factoren of een combinatie van deze factoren worden veroorzaakt. 1. familiaire aanleg  2. ernstig life event (b.v. verlies kind of partner)  3. persoonlijkheidsproblematiek (b.v. zwartkijker)  4. hechtingsproblematiek of traumatische jeugd.

Gelukkig kan de stoornis verholpen worden door de combinatie van antidepressieve medicatie en gesprekstherapie/ psychotherapie.

Angststoornis

Wat is een angststoornis?

Angst is, net als blijdschap en verdriet, een menselijke emotie. Het is vaak een signaal dat er gevaar dreigt en dan is het zinvol om angstig te worden.
Soms neemt angst zulke buitensporige proporties aan dat mensen een dokter raadplegen. Deze kan dan tot de conclusie komen dat er sprake is van buitensporige angst: angst die in geen verhouding staat tot de aanleiding. Hoogtevrees en angst voor liften, muizen en spinnen zijn daar voorbeelden van.

Uiteenlopende factoren zijn van invloed op het ontwikkelen van een angststoornis. Zo is er bijvoorbeeld sprake van een erfelijke aanleg, maar die komt niet altijd tot uiting. Dat geldt ook voor opvoedingsfactoren. Angststoornissen treden vaak op tijdens of vlak na emotioneel belastende omstandigheden. Een biochemisch proces in de hersenen raakt waarschijnlijk verstoord. Dat evenwicht kan worden hersteld door middel van een goede behandeling.
Angststoornissen die leiden tot een hulpvraag, hebben invloed op het dagelijkse leven. Ze belemmeren je in allerlei dingen, wat het leven minder aangenaam maakt. De klachten kunnen na verloop van tijd aanleiding geven tot depressiviteit. Vooral als er geen hulp wordt gezocht. Als de angst buitensporige proporties aanneemt, is de meest effectieve psychologische behandeling gedragstherapie. Het leren doorstaan van angstwekkende situaties wordt ook wel ‘exposure’ genoemd. Dat vormt het belangrijkste onderdeel van deze therapie.
Vroeger werden ook vaak kalmeringsmiddelen gebruikt tegen angststoornissen. De bekendste zijn benzodiazepines, zoals oxazepam en diazepam. Het nadeel van deze middelen is dat ze versuffend kunnen werken en verslavend zijn. Je hebt ook steeds meer middelen nodig om de angst voldoende te dempen. Antidepressiva hebben deze nadelige bijwerkingen niet en verdienen daarom de voorkeur bij het bestrijden van dwang. Ze onderdrukken de angsten goed en laten ze niet zelden geheel verdwijnen.

Stress

Wat is stress?

Stress betekent letterlijk spanning. Ieder mens heeft een zekere mate van spanning nodig om te presteren, te durven en attent te reageren. Kortom: gezonde stress is noodzakelijk om actief en zelfverzekerd in het leven te kunnen staan. Maar stress kan twee kanten op gaan: de een wordt erdoor gestimuleerd en lijkt uit eindeloze reserves te kunnen putten en de ander bezwijkt onder de druk. Stress is vaak het gevolg van onvrede in het werk of de relatie, frustraties, dreigend ontslag, dood in de naaste omgeving of financiële druk.

Symptomen: De symptomen op korte termijn zijn: -versnelde ademhaling en versnelde hartslag -misselijkheid -gespannen spieren

De stresssymptomen verdwijnen vanzelf als de spanningen ophouden. Als deze echter aanhouden, raakt men uitgeput en verliest men  lichaamsenergie. Dit kan ernstige gevolgen hebben, zoals burn-out, hart- en vaatziekten en leidt uiteindelijk tot verkorting van de levensduur.

Op lange termijn kan stress vermoedelijk leiden tot: -slapeloosheid -prikkelbaarheid -depressiviteit -het uitblijven van de menstruatie -hoge bloeddruk -haaruitval -allergieën -maagzweren -hart- en vaatziekten.

Individuele gesprekstherapie en trainingen zijn de meest voorkomende behandelingsvormen. De trainingen richten zich vaak op het aanleren van ontspanningstechnieken en bepaalde sociale vaardigheden, zoals assertiviteit.

Paniek

Wat is een paniekstoornis?

Paniek is een vorm van zeer hevige angst waarbij mensen de controle over hun doen en laten dreigen kwijt te raken.
Paniek treedt op in de vorm van een aanval. Er treden binnen enkele minuten allerlei lichamelijke verschijnselen op, die gepaard gaan met de angst om gek te worden, controle te verliezen of om dood te gaan.

De meest voorkomende lichamelijke klachten tijdens een paniekaanval zijn hartkloppingen, een drukkend gevoel op de borst, misselijkheid en transpireren. Vaak krijgen mensen steeds in dezelfde situatie een paniekaanval. Bijvoorbeeld in de supermarkt, in het openbaar vervoer, op autosnelwegen of in grote open ruimten. Vaak zie je dat ze deze plekken na verloop van tijd gaan vermijden. Dan is er sprake van agorafobie, dat plein- of straatvrees betekent.
Voor paniek geldt net als voor angst dat uiteenlopende factoren van invloed zijn op het ontwikkelen van een paniekstoornis. Er is eveneens sprake van factoren als erfelijke aanleg en opvoeding, die iemand gevoelig kunnen maken voor deze stoornis. Meestal treedt paniek op tijdens of vlak na emotioneel belastende omstandigheden. Het biochemisch evenwicht in de hersenen raakt verstoord en verdwijnt pas na een goede behandeling.
De meest effectieve psychologische behandeling van paniekaanvallen is gedragstherapie. Het leren doorstaan van angstwekkende situaties wordt ‘exposure’ genoemd. Dat vormt het belangrijkste onderdeel van de gedragstherapie.
Vroeger werden ook vaak kalmeringsmiddelen gebruikt bij het bestrijden van paniekaanvallen. De bekendste zijn benzodiazepines, zoals oxazepam en diazepam. Het nadeel van die middelen is dat ze versuffend kunnen werken en verslavend zijn. Je hebt ook steeds meer nodig om de angsten voldoende te dempen.
Antidepressiva hebben deze nadelige bijwerkingen niet en verdienen daarom de voorkeur bij het bestijden van dwang. Ze onderdrukken de angsten goed en laten ze niet zelden geheel verdwijnen.

PTSS

Wat is PTSS?

Posttraumatische stress-stoornis
Een Posttraumatische stress-stoornis (ptss) is een ernstige stressreactie op een schokkende, onverwachte gebeurtenis die alle veiligheid en vanzelfsprekendheid wegvaagt. Het kan gaan om één schokkende gebeurtenis, zoals een vliegtuigongeluk, of een traumatische gebeurtenis die zich uitstrekt over een langere periode, zoals bij incest- of oorlogsslachtoffers.

De belangrijkste symptomen zijn: -terugkerende, onverwacht opduikende herinneringen, herbelevingen of nachtmerries; -van streek raken bij alles wat aan de traumatische gebeurtenis herinnert; -situaties uit de weg gaan die associaties oproepen met de schok; -het zich niet kunnen herinneren van de schokkende gebeurtenis; -een gevoel van vervreemding ten aanzien van eigen het gevoel of lichaam (als gevolg van zelfbescherming tijdens de gebeurtenis); -nauwelijks belangstelling tonen voor de omgeving en dagelijkse gebeurtenissen; -onredelijke woedeuitbarstingen, irritaties, huilbuien en schuldgevoelens; -altijd alert zijn en om het minste of geringste schrikken; -slecht slapen; -lusteloosheid; -concentratieproblemen.
De klachten doen zich soms pas na jaren voor (zoals bij oorlogsslachtoffers).
Schokkende en traumatische gebeurtenissen komen dagelijks voor. Om een paar voorbeelden te noemen: in 1994 werden in Nederland 164 mensen vermoord. Naar schatting worden ongeveer anderhalf miljoen mensen in Nederland slachtoffer van geweld of bedreiging. Verder raken er ieder jaar tienduizenden mensen betrokken bij auto-ongelukken. Ongeveer 200.000 van die groep heeft behoefte aan psychische steun, maar slechts 20 procent zoekt daadwerkelijk hulp.
Bij het Bureau Slachtofferhulp bieden vrijwilligers de mogelijkheid aan slachtoffers om kort na de gebeurtenis te vertellen over wat ze hebben meegemaakt. Daarna vinden desgewenst nog enige vervolggesprekken plaats. Bureau Slachtofferhulp verstrekt ook informatie over de mogelijkheden voor lotgenotencontact. Gesprekken met de huisarts kunnen ook helpen om het trauma te verwerken. Bovendien kan deze rustgevende medicijnen voorschrijven om in de begintijd al te extreme angsten of slaapproblemen tegen te gaan. De medicijnen kunnen het probleem echter niet oplossen en werken (op den duur) verslavend. Het RIAGG, een psychotherapeut of psychiater kunnen hulp bieden. Datzelfde geldt voor organisaties die gespecialiseerd zijn in hulp aan bepaalde groepen met ptss.

Rouw

Wat is rouw?

Rouw is geen ziekte en de oorzaak, verlies, is een universeel verschijnsel. Iedereen krijgt vroeger of later in zijn leven te maken met verlies en de daarmee gepaard gaande rouw.

Rouw is het geheel van reacties na het verlies van iemand die belangrijk voor je is geweest. Hoe intenser de band, hoe intenser de rouw. Daarbij gaat het zeker niet alleen om relaties met een positief karakter. Relaties waarin sprake is geweest van ruzies, conflicten en negatieve gevoelens kunnen eveneens intense rouw tot gevolg hebben.

Volgens de Amerikaanse psychiater W. Worden maken mensen na het overlijden van een voor hem of haar belangrijk persoon vier fasen mee: 1 Aanvaarden of ontkennen, 2 pijn en verdriet, 3 aanpassen van verwachtingen, ideeën en opvattingen over de toekomst en het leven, 4 de dierbare een nieuwe plek geven.

Aanvaarden of ontkennen:  Na het overlijden van een dierbare is het gevoelsmatig moeilijk om te beseffen dat het verlies heeft plaatsgevonden. Dit ongeloof gaat gepaard met woorden als: ‘ik kan het niet accepteren’ en ‘het dringt niet tot mij door dat hij nooit meer terug zal komen’. Het verlies dringt meestal heel geleidelijk tot je door. Het aanvaarden van het verlies gaat gepaard met hele moeilijke situaties, waarin je eraan herinnerd wordt dat de ander er niet meer is. Overal waar je komt waar de overledene ook kwam en alles wat je doet waar die persoon voorheen bij aanwezig was. Steeds meer word je met de neus op de feiten gedrukt: de dierbare is werkelijk voorgoed weg. Sommige mensen die rouwen vinden het zo moeilijk om te aanvaarden dat de dierbare werkelijk overleden is dat ze liever doen alsof er niets gebeurd is. Dat is op zich niet raar. Het verdriet is immers intens en de gevolgen vaak veelomvattend. De ontkenning van het verlies kan geheel of gedeeltelijk zijn. Er is sprake van totale ontkenning als je gelooft dat de dierbare niet dood is en terugkeert in het leven. Gedeeltelijke ontkenning is bijvoorbeeld dat je nog een tijd met de overledene praat of de tafel voor hem of haar dekt. Ontkenning is een begrijpelijke en normale reactie, maar langdurige ontkenning kan het verwerken van het verlies steeds moeilijker maken.

Pijn en verdriet Als je een dierbare verliest gaat dat vaak gepaard met emotionele pijn. Emotionele reacties als angst, verdriet, boosheid en schuldgevoelens kunnen dan voorkomen. De mate waarin deze gevoelens voorkomen verschilt meestal. Het ene moment ben je intens verdrietig en verlang je hevig naar de overledene. Het andere moment is het verdriet meer op de achtergrond aanwezig. Toch is pijn en verdriet geen must tijdens een rouwproces, ook niet als je veel van de overledene hebt gehouden. Bovendien is het zo dat niet iedereen uiting geeft aan verdriet.

Bij verlies en rouw denk je in eerste instantie aan het overlijden van een dierbare. Er zijn echter allerlei vormen van verlies. Het lichaam; de psyche; relaties ,ouderschap; school/werk; en huis en haard. Of je nu je zekerheden kwijt bent door echtscheiding of reorganisatie, doordat je partner dement wordt of je je geboorteland definitief verlaat, het zijn allemaal situaties waarin er sprake is van verlies.

Obsessie

Wat is obsessie?

Een obsessie of dwanggedachte is een geestestoestand waarbij iemand bezeten is van een bepaald idee. Centraal staat een aanhoudende, steeds terugkerende gedachte of idee. Iemand met een impulsieve obsessie kan gekweld worden door bepaalde gedachten die zich opdringen. Bijvoorbeeld de angst om iemand iets aan te doen of een andere misdraging. Daarnaast bestaat de dwangmatige obsessie. Iemand met een dwangmatige obsessie voelt steeds de dwang bepaalde handelingen te verrichten, bijvoorbeeld steeds controleren of de deur op slot zit. Als iemand door dergelijke dwanghandelingen beheerst wordt, lijdt de patiënt aan een dwangneurose.

Een dwangneurose kan bestaan uit een handenwasritueel of het herhaaldelijk controleren of ramen, deuren of de gaskraan goed dicht zijn. Het wordt vaak veroorzaakt door een traumatische ervaring, maar in sommige gevallen is het een gevolg van een lichte hersenbeschadiging, met name wanneer deze het gevolg is van encefalitis. Dwangneurosen zijn vrij zeldzaam, hoewel lichtere obsessieve symptomen waarschijnlijk voorkomen bij ca. 15% van de bevolking. Ten minste tweederde van alle mensen met een dwangneurose heeft baat bij behandeling. In lichte gevallen kunnen tranquilizers worden voorgeschreven, in ernstiger gevallen kan psychiatrische hulp noodzakelijk zijn. Na behandeling kunnen bij stress de symptomen terugkeren, maar meestal houdt de patiënt ze onder controle. Symptomen: – angst voor besmetting – dermatitis (huidafwijking) veroorzaakt door herhaaldelijk wassen – inefficiëntie, veroorzaakt dor herhaaldelijk en overdreven nauwkeurig controleren – agressieve gedachten en gedrag – mogelijke depressie.
Onzekerheid is een bekend psychisch fenomeen. Iedereen heeft er wel eens last van. Onzekerheid kan worden veroorzaakt door lichamelijke, sociale, financiële en emotionele factoren en angst. In elk geval gaat iemand die zich onzeker voelt, twijfelen aan haar of zijn gehele zelfbeeld (competentie of eigenwaarde). Chronische onzekerheid, die zich kan uiten als depressiviteit, verlegenheid, gebrek aan zelfvertrouwen of het onvermogen tot het opbouwen van stabiele relaties, heeft niet zozeer te maken met externe gebeurtenissen, maar voornamelijk met onrealistische verwachtingen en een negatief zelfbeeld. Het kan resulteren in een minderwaardigheidscomplex. Men heeft dan het gevoel altijd tekort te schieten en minder te kunnen dan anderen. De persoon lijdt onder dit besef en onder schaamte- en schuldgevoelens over het eigen falen. De oorzaak van neurotische minderwaardigheidsgevoelens ligt niet zozeer in wat anderen van iemand verwachten, maar meer in de hoge verwachtingen die iemand aan zichzelf stelt. Deze hoge eisen kunnen een gevolg zijn van de hoge verwachtingen die door opvoeders tijdens de jeugd zijn gesteld, of van onvoldoende verwerkte kinderlijke grootheidsfantasieën.
Als het minderwaardigheidscomplex dusdanig problematisch en verstorend werkt op het dagelijkse leven, kan (psycho)therapie worden aangeraden. Symptomen – droge mond – klamme handen – snelle hartslag en hartkloppingen – bij angstneurose: benauwdheid, kortademig; hoofdpijn, algehele zwakte en vermoeidheid; drukkend gevoel in de borstkas; hoge bloeddruk; buikpijn en diarree; slapeloosheid; verlies van eetlust.

Fobie

Wat is een fobie?

Een fobie is een irreële angst voor plaatsen of situaties waar geen aanwijsbaar gevaar aanwezig is. De angst leidt echter wel tot zeer onaangename klachten. Mensen met een fobie hebben daarom de neiging om situaties of plaatsen die hen angst bezorgen, te mijden. Fobieën kunnen zich op vele manieren uiten, maar de meest ernstige vormen kun je als volgt onderverdelen: – Agorafobie; – Sociale fobie; – Enkelvoudige fobie.

Agorafobie. Deze vorm hangt veelal samen met een paniekstoornis. De angst duikt op in plaatsen of situaties waar men niet direct kan ontkomen of hulp krijgen. Als gevolg daarvan gaat iemand met een dergelijke fobie óf niet alleen de deur uit, óf doorstaat de grootste angsten bij een uitstapje. Meestal treedt agorafobie op in ‘opgesloten’ ruimten, zoals bioscopen, de trein, de auto, of in een rij of grote mensenmenigte. Soms is het vermijdingsgedrag zo ernstig dat iemand helemaal niet meer de deur uitgaat. In andere gevallen gaat agorafobie niet gepaard met paniek. Het vermijden van bepaalde plekken of situaties gebeurt meestal wel, omdat die kunnen leiden tot klachten als duizeligheid of vallen, een onwerkelijk gevoel, controleverlies, braken of ‘hartklachten’.

Sociale fobie. Dit betreft hardnekkige en directe angst voor situaties waarin men kan ‘afgaan’, omdat men zich afgewezen voelt door anderen. Het mijden van situaties waarbij mensen betrokken zijn (spreken in het openbaar, dineren in gezelschap, urineren in een openbaar toilet, schrijven als op de vingers wordt gekeken, praten in een groep). Door de angst en vermijding die met deze fobie gepaard gaan, wordt het dagelijks functioneren belemmerd.

Enkelvoudige fobie. Deze fobie treedt op in andere situaties, namelijk die waarin sprake is van een specifieke angst voor iets. Voorbeelden: bloed, dieren, onweer, bruggen, tunnels, slikken, tandartsen, en angst voor gesloten ruimten, zoals liften.

De genoemde categorieën kunnen elkaar deels overlappen. Daarnaast is er nog een vierde categorie: de angstneurose. Dit betreft een buitensporige (irreële) angst voor bepaalde levensomstandigheden (zoals geld en gezondheid), zonder een goede reden. Deze angst leidt niet of nauwelijks tot vermijdingsgedrag. Angstneurose komt in uitzonderlijke gevallen voort uit lichamelijke klachten (zoals een schildklierafwijking of een cafeïnevergiftiging). Het is daarom verstandig om altijd een arts te raadplegen bij een angstneurose.
Bij een angstneurose is er sprake van minstens zes van de volgende symptomen: -beven -trillen -brok in de keel -vaak plassen -opvliegers -buikklachten -licht in het hoofd -droge mond -zweten -koude handen -hartkloppingen -kortademigheid -verstikkend gevoel -spierspanning of pijn -rusteloos -snel moe -prikkelbaar -slaapproblemen -blokkade in concentratie en denken -schrikachtig -op scherp staan -alles in de gaten moeten houden.Gesprekstherapie is de beste methode om een fobie te bestrijden. Allereerst gaat het om het ongevoelig maken voor de fobieprikkel. Daarna worden vaardigheden en gedragsalternatieven aangeleerd.
Manisch depressief
Een manisch-depressieve psychose wordt ook wel een bipolaire stemmingsstoornis genoemd. Het is een ernstige geestelijke stoornis, gekenmerkt door een meestal enkele maanden durende toestand van opgewondenheid (manie) die kan omslaan in een gedrukte stemming (depressie). De oorzaak is onbekend en ook de ontstaanswijze is nog zeer onduidelijk. De aandoening behoort tot de groep van de psychosen. Dit zijn ernstige geestelijke stoornissen, waartoe ook de zogenaamde gespleten persoonlijkheid (schizofrenie) behoort.
Een depressieve periode wordt op een onverklaarbare manier afgewisseld door dagen of weken van manie. Een manische periode wordt gekenmerkt door een periode met uitgelaten, expansieve en/of prikkelbare stemmingen. Meestal treedt één van deze stemmingen op een tamelijk hardnekkige manier op de voorgrond. Drie van de volgende symptomen zijn tijdens een manische periode zeer duidelijk aanwezig: – toegenomen activiteit op sociaal, beroepsmatig of seksueel gebied; – spraakzamer dan gewoonlijk of de drang om te blijven spreken; – gedachtenvlucht of de subjectieve ervaring dat de gedachten jagen; – overdreven gevoel van eigenwaarde (eventueel grootheidsideeën of zelfs grootheidswaanzin); – afgenomen slaapbehoefte; – de aandacht wordt gemakkelijk afgeleid naar onbelangrijke of niet ter zake doende uitwendige prikkels; – zich sterk bezighouden met activiteiten die een grote kans hebben op pijnlijke consequenties die niet onderkend worden. Bijvoorbeeld teveel geld uitgeven, seksuele indiscreties, onverstandige zakelijke investeringen doen en roekeloos autorijden.
De manisch-depressieve psychose is meestal erfelijk bepaald. De aandoening doet zich veel vaker voor in de depressieve vorm dan in de manische vorm. Het begin van de aandoening ligt zelden voor het twintigste jaar.
Na het dertigste jaar neemt het aantal gevallen sterk toe en soms doen de eerste verschijnselen zich pas op veel latere leeftijd voor. Zowel de manische- als de depressieve verschijnselen worden met wisselend succes bestreden met geneesmiddelen.
Antidepressiva zijn medicamenten die de communicatie of informatieoverdracht tussen de cellen van de hersenen herstellen. Momenteel zijn er in Nederland zo’n twintig antidepressiva op de markt. Deze kunnen worden onderverdeeld in twee groepen: de klassieke en moderne soorten. De chemische structuur en de manier waarop ze de hersenen beïnvloeden, is anders. Ze remmen allebei de heropname van neurotransmitters, waardoor deze stoffen langer aanwezig blijven in de hersenen, maar de bijwerkingen zijn anders. Klassieke antidepressiva kennen bijwerkingen als een droge mond, sufheid, verstopping, misselijkheid en bloeddrukverlaging. Deze bijwerkingen zijn meestal hinderlijk en kunnen gevaarlijk zijn bij overdosering. Moderne antidepressiva zijn over het algemeen veiliger, ook bij een hoge dosering. Het nadeel van deze middelen is dat ze pas na twee tot drie weken hun diensten gaan bewijzen. Eventuele bijwerkingen treden meestal in die periode op en verdwijnen later weer.
De meeste mensen die antidepressiva gebruiken ondervinden geen persoonlijkheidsveranderingen door de medicatie. Twee op de drie mensen heeft er baat bij en ze zijn niet verslavend. Het kan wel enkele weken duren voordat verbetering merkbaar is. Sommige mensen krijgen last van bijwerkingen, anderen niet. Als de depressieve klachten minder worden, is het af te raden om zelf de medicatie af te bouwen. Betrek daar in ieder geval de behandelaar bij. Therapie Cognitieve gedragstherapie (CTG) is erop gericht een einde te maken aan hulpeloos en hopeloos makende denkgewoonten. Bij mildere of matige vormen van depressie is het een effectieve behandelmethode. Er zijn ook aanwijzingen dat cognitieve gedragstherapie beter bestand maakt tegen een eventuele terugval.
Gespannen of problematische relaties met anderen dragen bij tot het ontstaan en voortbestaan van depressies. Interpersoonlijke- of relatietherapie zijn vormen van psychotherapie die specifiek gericht zijn op deze problemen. Ze kunnen zowel in groepsvorm als individueel plaatsvinden en helpen om nieuwe denk- en gedragspatronen aan te leren. De therapieën zijn vooral geschikt gebleken bij unipolaire depressies, eventueel in combinatie met medicatie.

Dwang

Wat is een dwangstoornis?

Een dwangstoornis of dwangneurose is een obsessief-compulsieve stoornis. Het gaat bij deze kwaal om dwanggedachten (obsessies) en dwanghandelingen (compulsies) die je in de greep houden. Verzet tegen deze dwang levert enorme spanning en angst op, die pas vermindert als je eraan toegeeft.

Bekende voorbeelden van dwangstoornissen zijn smetvrees en buitensporige angst voor besmettelijke ziekten als aids. Er is pas sprake van een dwangstoornis als de dwanggedachten en/of – handelingen meer dan een uur per dag in beslag nemen. Dan heb je te maken met een ernstige aandoening die veel invloed heeft op iemands functioneren.
Een dwangstoornis heeft veel invloed op iemands functioneren en wordt meestal niet minder zonder behandeling.
De meest effectieve psychologische behandeling bij dwang is gedragstherapie. Het leren doorstaan van angstwekkende situaties wordt dan aangeleerd.

Vroeger werden ook vaak kalmeringsmiddelen gebruikt tegen dwang. De bekendste zijn benzodiazepines, zoals oxazepam en diazepam. Het nadeel van die middelen is dat ze versuffend kunnen werken en verslavend zijn. Je hebt ook steeds meer nodig om de angst voldoende te dempen.

Antidepressiva hebben deze nadelige bijwerkingen niet en verdienen daarom de voorkeur bij het bestijden van dwang. Ze onderdrukken de angsten goed en laten ze niet zelden geheel verdwijnen.

Eetstoornis

Wat is een eetstoornis

Anorexia nervosa en boulimia nervosa zijn veel voorkomende eetstoornissen of verslavingen. De scheidslijn tussen de twee is niet altijd precies te trekken. Vaak wisselen ze elkaar zelfs af.
Anorexia nervosa betekent dat er door een nerveuze oorzaak gebrek is aan eetlust. Het is dus een psychisch/emotionele aandoening. Vaak wordt anorexia in één adem genoemd met boulimia (vreetbuien gevolgd door langdurig braken). Anorexia wordt gekenmerkt door ernstig gewichtverlies en intense angst om in gewicht toe te nemen. En dat terwijl er juist sprake is van ondergewicht. Afwijkende lichaamsbeleving en uitblijven van de menstruatie zijn andere kenmerken.

Bij Bulemia Nervosa heeft iemand last van eetbuien. Men kan niet stoppen met eten of snoepen als men dat wil. Waardoor iemand sterk in gewicht toeneemt en last krijgt van overgewicht. Het kan ook zijn dat iemand d.m.v. braken of andere middelen het gewicht in de hand kan houden en de omgeving niets merkt. Het gebeurt dan allemaal in het geheim.

Burnout

Wat is een burnout?

In het algemeen worden bij burnout drie reacties onderscheiden, die niet gelijktijdig hoeven voor te komen: emotionele uitputting, depersonalisatie en verminderde persoonlijke bekwaamheid.

Specifieke symptomen zijn: -niet meer met plezier naar je werk gaan (als gevolg van vermoeidheid) -slaapstoornissen -te lang en teveel over het werk piekeren -niet meer kunnen genieten van dingen -geen zin meer in seks. -chaotisch denken en handelen (niet meer kunnen organiseren). -hoofd- en nekpijn -verlies van eetlust.

Neurotische klachten als schuldgevoelens, angsten, depressies of obsessies manifesteren zich meestal in een latere fase.
De risicofactoren voor burnout zijn: hoge werkdruk, slechte werksfeer, beperkte controlemogelijkheden (zoals beslissen over vrije dagen en pauzes) en lage beloning.

Één op de tien Nederlanders voelt zich opgebrand, zo blijkt uit een onderzoek van het CBS uit 1997. Met name werknemers in het onderwijs en de horeca zijn vaak opgebrand. Daarnaast komt werkstress in het bijzonder mensen tussen de 35 en 55 jaar. Er is ook een verband tussen opleiding en werkdruk. Hoe hoger opgeleid, hoe groter de kans op werkstress. Als je verdergaande klachten hebt dan vermoeidheid kan biochemisch ingrijpen nuttig zijn. Serotonine heropname remmers (antidepressiva) zorgen ervoor dar de hormonale regeling in orde komt. Psychotherapie is nodig om de spanningen die je voelt onder ogen te krijgen. Zoveel mogelijk energievreters moeten worden weggenomen, zodat je ruimte krijgt om te herstellen.

Een burnout houdt zichzelf in stand. Thuis gaan zitten en alleen maar leuke dingen doen heeft bijvoorbeeld geen zin. De behandeling hangt af van de fase waarin je terecht bent gekomen.

Psychose

Wat is psychose?

Als iemand psychotisch is, dan is hij het normale contact met onze werkelijkheid kwijtgeraakt. Dat wijst op een ernstige verstoring van de verwerking van informatie. Dit kan blijken uit een of meer van de volgende verschijnselen.

Hallucinaties: Iemand die psychotisch is kan iets waarnemen (horen, zien, ruiken, voelen, proeven) dat er in werkelijkheid niet is. Deze ervaringen zijn voor de betrokkene zeer ‘echt’. Het horen van stemmen is de meest voorkomende hallucinatie. Soms geven stemmen commentaar op het gedrag of geven ze opdrachten. Hallucinaties kunnen zeer hinderlijk zijn voor degene die er last van heeft. Als de patiënt op de stemmen reageert, dan kan dit leiden tot vreemd of storend gedrag.
Vaak lukt het de patiënt een lange tijd om deze ervaringen voor zichzelf te houden, zonder dat mensen in de omgeving er iets van merken.
Wanen: Dit zijn individuele ideeën of overtuigingen die absoluut niet in overeenstemming zijn met algemeen geaccepteerde ideeën of opvattingen. Het draait bij een waan altijd om de betrokkene zelf; hij heeft bijvoorbeeld de overtuiging dat hij buitengewone kwaliteiten bezit, rechtstreeks in verbinding staat met een hogere macht of weet zeker dat er een complot tegen hem wordt gesmeed. Ogenschijnlijk gewone gebeurtenissen krijgen een speciale betekenis. Het is moeilijk iemand met wanen op andere gedachten te brengen: hij houdt sterk aan zijn ideeën vast en is vaak niet gevoelig voor logische tegenwerpingen.
Verward denken: Het denkproces kan te snel, te langzaam of chaotisch zijn. Vaak lukt het niet om helder te denken. Soms gaat het verband tussen gedachten verloren. Hierdoor is het nogal eens moeilijk om te begrijpen wat iemand die psychotisch is precies bedoelt. Op zijn beurt kan hij weer moeite hebben om anderen te begrijpen. Dit komt doordat hij zich niet goed kan concentreren en problemen heeft met onthouden. Het kan hem vaak moeite kosten het gedrag van anderen te plaatsen.

Vaak komen voorafgaand aan, tegelijk met of na afloop van een psychose ook andere verschijnselen voor, zoals negatieve symptomen, cognitieve stoornissen en depressie.
Negatieve symptomen duiden op het ontbreken van gedrag dat normaal wel aanwezig is. Voorbeelden zijn: weinig spreken, weinig initiatief tonen, weinig energie hebben, weinig gebaren maken, een vlakke gezichtsuitdrukking hebben of een teruggetrokken gedrag vertonen. Negatieve symptomen kunnen zeer ernstig zijn. De patiënt heeft dan zijn vitaliteit en enthousiasme geheel verloren. Anderen kunnen dit opvatten als luiheid en ‘niet willen deugen’. De patiënt kan er niets aan doen dat hij deze negatieve symptomen heeft. Negatieve symptomen zijn vaak moeilijk te behandelen.
Cognitieve stoornissen zijn verslechteringen in de verwerking van informatie door de hersenen. De patiënt heeft moeite zich te concentreren, is gemakkelijk afgeleid of heeft moeite verschillende soorten informatie gelijktijdig te verwerken (bijvoorbeeld te lezen terwijl de radio aanstaat).
Bij een depressie is er sprake van een sombere stemming en een gedaalde zelfwaardering. Soms is de wanhoop zo groot dat mensen zelfdoding overwegen of zelfs een suïcidepoging doen.
Een psychose komt het meest voor bij mensen tussen de 16 en 30 jaar en kan samenhangen met verschillende psychiatrische ziektebeelden. Zo zijn er psychosen door drugsgebruik, psychosen bij een manisch-depressieve aandoening, psychosen bij schizofrenie en psychosen in het kader van kortdurende psychotische stoornissen. Manisch-depressieve stoornissen komen voor bij 1 op de 200 mensen, schizofrenie bij 1 op de 100. Welke aandoening het precies is, hangt onder andere af van bijkomende verschijnselen, oorzaken en tijdsduur van de psychose. Omdat het verloop van de aandoening mede de diagnose bepaalt, kan het in sommige gevallen ongeveer een half jaar duren voor de diagnose met zekerheid gesteld kan worden. Houd er rekening mee dat de eerste diagnose later bijgesteld kan worden.

Wat kunnen de oorzaken van een psychose zijn?
Iedereen kan psychotisch worden. Bij mensen die bijvoorbeeld drugs gebruiken (cannabis, cocaïne of LSD) verandert de werking van de hersenen dusdanig, dat zij verward kunnen gaan denken of dingen waarnemen die er in werkelijkheid niet zijn. Ook door andere ernstige lichamelijke ontregelingen (zoals hoge koorts bij kleine kinderen of na een zware operatie bij ouderen) kan een psychose optreden.
Meestal is er geen duidelijke oorzaak te vinden. Het ontstaan van een psychose hangt af van de kwetsbaarheid om een psychose te krijgen en van de stress die iemand ondervindt. Hoe groter de kwetsbaarheid is om een psychose te krijgen, des te sneller kan er bij (lichte) stress een psychose optreden. Iemand krijgt dan meer emotioneel geladen informatie te verwerken dan hij aankan; de informatieverwerking is ontregeld. Hierdoor kunnen de typische verschijnselen van een psychose optreden.
De kwetsbaarheid voor een psychose kan erfelijk bepaald zijn, maar ook samenhangen met aandoeningen tijdens de zwangerschap of rond de bevalling. Overigens blijft de kans klein dat familieleden van een patiënt met een psychose ook een psychose krijgen. Meestal is er in een familie maar één patiënt met een psychose. Een psychose wordt niet veroorzaakt door opvoedings- of gezinsproblemen. Meestal zijn er geen duidelijke problemen in het gezin die de aanleiding vormen als iemand voor het eerst psychotisch wordt.

Hoe komt de eerste behandeling van een psychose tot stand?
Patiënten met een psychose zijn vaak terughoudend in het zoeken van een behandeling. Ze ervaren vreemde dingen die ze niet goed kunnen plaatsen. Ze denken dat anderen hun situatie niet goed zullen begrijpen en ze willen meestal zelf eerst uitzoeken wat er met hen aan de hand is. Soms schamen ze zich voor hun problemen. Begrip van familieleden en anderen kan dan een goede steun vormen. Een goed gesprek met iemand die de patiënt vertrouwt (bijvoorbeeld een mentor of huisarts) kan eveneens helpen. Belangrijk is dat de psychotische waarnemingen en gedachten in zo’n gesprek niet als onzin worden afgedaan.
In veel gevallen zet de psychose door en wordt de patiënt verwezen naar de geestelijke gezondheidszorg (zelfstandig psychiater, RIAGG of psychiatrisch ziekenhuis). Meestal zijn meerdere gesprekken nodig om goed te onderzoeken wat er aan de hand is en om de meest waarschijnlijke oorzaak van de psychose vast te stellen. Hierna volgt een nieuwe reeks gesprekken met de patiënt over de achtergronden van de klachten en over de mogelijkheden om deze te verminderen of er beter mee om te gaan. Hij zal ook medicijnen voorgeschreven krijgen, waarmee de psychotische verschijnselen binnen een paar maanden kunnen verdwijnen. Omdat ook u wilt weten wat er aan de hand is en u zelf kunt fungeren als bron van informatie, ligt het voor de hand dat u bij de behandeling wordt betrokken.
Soms zijn er bijkomende verschijnselen die thuis niet goed aangepakt kunnen worden, zoals geweld, onrust, zelfverwaarlozing en depressiviteit. In deze gevallen volgt doorgaans een opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Ook als de behandeling thuis onvoldoende resultaat heeft of als de patiënt zich extreem terugtrekt kan opname in een ziekenhuis zinvol zijn.
In een enkel geval kan een patiënt een gevaar zijn voor zichzelf of zijn omgeving. Als hij in deze toestand geen opname wil, kan hij soms tegen zijn wil worden opgenomen met een rechterlijke maatregel (een inbewaringstelling of een rechterlijke machtiging).

Wat doen medicijnen?
Bij de behandeling van een psychose kunnen verschillende medicijnen worden gebruikt. De belangrijkste groep medicijnen vormen de zogenaamde antipsychotica. Dat zijn middelen die de psychose tegengaan. Ze reguleren de informatie-overdracht tussen de hersencellen en zorgen ervoor dat de psychotische verschijnselen afnemen. Daarnaast hebben ze een algemeen kalmerende werking (opwinding en agressie kunnen verminderen). De antipsychotica beïnvloeden in de hersenen de werking van verschillende overdrachtstoffen (neurotransmitters).
Antipsychotica helpen niet alleen tijdens een acute psychose, maar ook om het optreden van een nieuwe psychose te voorkomen. De medicijnen zijn behoorlijk effectief, maar gaan gepaard met soms lastige bijwerkingen. De mate waarin mensen last hebben van bijwerkingen, verschilt sterk.
Bijwerkingen van de oudere, zogenaamde ‘klassieke’ antipsychotica zijn vaak te merken aan de bewegingen van de patiënt: stijfheid, beven, spierkrampen, rusteloos heen en weer lopen. Om die bijwerkingen te verminderen kan de behandelaar de dosering verlagen of nog een extra middel voorschrijven (een anticholinergicum) danwel het antipsychoticum vervangen door een ander antipsychoticum.
In een aantal gevallen schrijft de psychiater een nieuwer, zogenaamd ‘atypisch’ antipsychoticum voor. Dit heeft minder invloed op de beweging, maar kan wel weer andere bijwerkingen tot gevolg hebben. Soms neemt de eetlust sterker toe dan bij de ‘klassieke antipsychotica’. Als dit gepaard gaat met minder activiteit kan de gewichtstoename fors zijn. Bij sommige atypische antipsychotica hebben patiënten bijzonder veel moeite om ‘s ochtends op te staan.
Er is een antipsychoticum dat soms uitkomst biedt als andere medicijnen niet werken of te veel bijwerkingen geven: clozapine (Leponex). Wie dit middel gebruikt, moet regelmatig zijn bloed laten controleren omdat bij ongeveer 1 procent van de gebruikers de witte bloedlichaampjes onvoldoende worden aangemaakt. Als dit gebeurt moet het gebruik van clozapine worden gestaakt. Hierna neemt het aantal witte bloedlichaampjes weer toe tot een normaal niveau.
Het is niet te voorspellen of en hoe uw familielid op een bepaald antipsychoticum zal reageren. Door gericht te variëren in soort en hoeveelheid, zoekt de behandelaar in samenwerking met uw familielid uit wanneer het effect maximaal en de bijwerkingen minimaal zijn. Vaak is het eerste medicijn ook meteen het goede, maar het komt voor dat een aantal middelen beproefd moeten worden, voordat het juiste medicijn is gevonden. Over het algemeen is bij een eerste psychose een lage dosering voldoende.
Het kan soms meerdere weken duren alvorens duidelijk wordt of een gunstig effect optreedt. Bij het ‘instellen’ van een antipsychoticum is dus geduld nodig. Dat is vanzelfsprekend moeilijk omdat de problemen vaak groot zijn.
Behalve antipsychotica en anticholinergica kan uw familielid ook medicijnen tegen depressie (antidepressiva) voorgeschreven krijgen.
Hoe gaat het verder na een psychose?
Als de behandeling goed gevolgd wordt, zal de psychose in veel gevallen binnen een paar maanden zijn verdwenen. Bij veel patiënten bestaat de neiging om dan ook met de medicijnen te stoppen. Dit is onverstandig omdat de psychose vaak nog niet helemaal onder controle is en kort na het stoppen van de medicatie weer kan terugkomen. De kans op terugkeer van psychotische verschijnselen is de eerste tijd na de psychose het grootst.
De behandelaar zal met uw familielid en met u het risico van het terugkomen van de psychose, ook op langere termijn, bespreken. De voordelen van een preventieve behandeling met antipsychotica moeten tegen de nadelen worden afgewogen. Het nadeel van de bijwerkingen van antipsychotica moet worden afgewogen tegen het risico op een tweede psychose, waarvan de gevolgen zowel op sociaal gebied als op het gebied van functioneren vaak ernstiger zijn dan bij een eerste psychose. Over de minimale duur van de behandeling na een eerste psychose bestaat nog geen overeenstemming. In elk geval moet de behandeling met antipsychotica minstens een half jaar tot een jaar nadat de symptomen zijn verdwenen, worden voortgezet.
Geregeld is het risico op een terugkeer van de psychose zo groot dat de behandelaar adviseert om nog langer door te gaan met antipsychotica. Er is dan bijvoorbeeld sprake van de volgende situaties: de psychose heeft geruime tijd aangehouden; de patiënt functioneert nog slecht en/of vertoont weinig initiatieven; de patiënt kreeg zijn psychose op jonge leeftijd; ook in de familie komen psychosen voor; de psychose was zo ernstig dat opname nodig was. De psychiater zal ook adviseren om de behandeling met antipsychotica langer door te zetten als de gevolgen van de psychose ernstig zijn geweest. Dit is bijvoorbeeld het geval als de patiënt tijdens de psychose gevaarlijk gedrag vertoonde of als hij zichzelf heeft verwaarloosd.
Wordt in overleg besloten tot het voorzichtig afbouwen van de medicatie, dan moet de patiënt nog geruime tijd, bijvoorbeeld twee jaar, onder controle blijven. Gaat het gedurende deze periode goed met hem en heeft hij geen restverschijnselen, dan kan het verdere beloop gunstig zijn. De patiënt neemt de draad van zijn leven weer op, maar de psychose zal in zijn herinnering bewaard blijven als een verwarrende periode met zeer intense emoties.
Als tijdens de periode van afbouw opnieuw voortekenen van een psychose of zelfs psychotische verschijnselen optreden, dan betekent dit dat de behandeling met antipsychotica langer moet worden doorgezet, soms in een hogere dosering.
Komt de psychose na de afbouw onverhoopt toch terug, dan moet zo spoedig mogelijk contact worden gezocht met de oorspronkelijke behandelaar om de behandeling te hervatten. Het voorkómen van nieuwe terugvallen in de toekomst zal dan een belangrijk onderdeel van de behandeling vormen.

Als de behandeling goed gevolgd wordt, zal de psychose in veel gevallen binnen een paar maanden zijn verdwenen. Bij veel patiënten bestaat de neiging om dan ook met de medicijnen te stoppen. Dit is onverstandig omdat de psychose vaak nog niet helemaal onder controle is en kort na het stoppen van de medicatie weer kan terugkomen. De kans op terugkeer van psychotische verschijnselen is de eerste tijd na de psychose het grootst.

Meer informatie over psychoses vindt u
op de site van Zorgwijzer.nl en  Stichting Ypsilon

Postnatale depressie

Wat is postnatale depressie?
Bij een postnatale depressie ben je bang, onrustig en depressief. Men vermoedt dat de oorzaak de zeer grote daling van hormonen is, met daarbij opgeteld de algehele uitputting en ongemak in de dagen na de bevalling. Een lichte depressie begint meestal drie tot vier dagen na de bevalling en duurt maar een paar dagen. Sommige vrouwen hebben wekenlang klachten. Ze voelen zich totaal niet opgewassen tegen de nieuwe situatie. Een postnatale depressie begint meestal binnen een paar weken na de geboorte en kan wel een jaar of langer duren.
In extreme gevallen kan er een postnatale psychose zijn, gekenmerkt door volledige instorting. Je hebt de grootste kans op een postnatale depressie als je ook andere spanningen hebt, zoals relatieproblemen, de angst of je het wel aankunt, financiële problemen. Ook een slechte hormoonbalans kan een rol spelen en eerdere postnatale depressies. Ga daarom naar je arts en bespreek de problemen. Misschien ligt het aan je schildklier of aan je bloedsuikerspiegel.
Hoe weet je nu of je ‘gewoon’ depressief bent of een postnatale depressie hebt? Bij een lichte depressie ben je prikkelbaar, huilerig en voel je je kwetsbaar. Je bent ongerust en bang voor de nieuwe verantwoordelijkheid die een kind met zich meebrengt. Bij een postnatale depressie echter ben je voortdurend ongelukkig. Je voelt je schuldig en hebt het gevoel tekort te schieten. Je piekert en je hebt geen zin in seks. Bij een postnatale psychose ben je hyperactief, manisch en uitgelaten. Ook kun je juist depressief zijn en niet kunnen slapen, paniekaanvallen hebben en bijna schizofreen gedrag vertonen met hallucinaties.